25e zondag A
Het is tijd voor een nieuwe bril. Vijftien jaar geleden kreeg ik mijn eerste leesbril, maar nu wordt het tijd voor bril voor de verte. En terwijl ik deze week wacht op mijn nieuwe bril om ver te kunnen zien, lees ik in een boekje van Evelyn Underhill[1] dat ik mijn leesbril terzijde moet leggen. Nu gaat het niet over dit brilletje, maar over onze bril in het geestelijk leven. ‘Wat is geestelijk leven?’ vraagt ze. Sommigen zeggen misschien: ‘Dat is mijn innerlijk leven’. Anderen denken dat het iets moeilijks is, iets excentrieks, een soort masterclass in persoonlijk geloof. Maar dat is allemaal te individualistisch gedacht. Geestelijk leven is leven in de werkelijkheid van God, het wijde landschap waarin we ten diepste thuishoren. Ons beperkte verstand kan dat landschap nooit bevatten. Onze logica en ons gevoel van rechtvaardigheid schieten er hopeloos tekort. ‘Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten’, zegt de HEER bij Jesaja, ‘mijn wegen niet uw wegen, maar zoals de hemel hoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten.’ Het gaat ons te boven, maar het is in die werkelijkheid van God dat ons werkelijke leven zich afspeelt. Dit landschap zullen we door de groothoeklens van de onbevangen aanbidding bekijken. Mijn bril voor ver zien is nog niet genoeg. De handige leesbril waardoor we onze eigen kwaliteiten, verlangens, belangen en problemen scherp zien maar die de rest doet vervagen, leggen we terzijde.
Onbevangen aanbidding. Je ogen openen voor het koninkrijk van God, voor zijn werkelijkheid. Het is waar, met een leesbril op zie je er niet zoveel van. Maar als je verder kijkt, dan wordt het zichtbaar in alles wat onze wereldse werkelijkheid overstijgt. In de schoonheid van muziek, van poëzie, van een schilderij of een beeldhouwwerk, schoonheid die ons onszelf doet vergeten. In de schoonheid en de ontzagwekkende grootsheid van de natuur. In de goedheid van menselijk handelen, vaak in kleine gebaren, maar ook in daden van grote moed en zelfopoffering, die het verlangen wekken om ook zo te kunnen handelen, vrij van angst om jezelf. Aanbidding ook omdat je gaat zien dat God werkt in onze wereld, en je niet alles aan toeval kunt toeschrijven, al is het ook mogelijk om aan Gods handelen voorbij te gaan en alles binnenwerelds te verklaren. Een regenboog is tenslotte “gewoon” een natuurkundig verschijnsel.
Als we onze leesbril ophouden zien we niets van die werkelijkheid van God. Of wij er aandacht voor hebben of het negeren maakt voor die wereld, voor dat landschap geen verschil, maar voor ons wel! Want onze levens zijn pas werkelijk en volkomen als ze er een zekere overeenstemming mee hebben. Als ze worden wat ze zouden moeten zijn: gereedschap en bedding voor de wil van God. Als ze worden opgenomen in het koninkrijk van God waarin ieder in, tot en voor Hem alleen leeft.
‘Uw koninkrijk kome, uw wil geschiede’ bidden we iedere dag, en daarmee vragen we om in zijn wereld te mogen leven. Laten we dan ook de bril voor ver zien opzetten, om de wijde horizon te kunnen zien, om Hem te aanbidden met de psalmen en in stil gebed.
Julian van Norwich schrijft :
De goedheid van God kennen is het hoogste van alle gebeden, en het is een gebed dat zich aanpast aan onze laagste noden. … Want zoals het lichaam gehuld is in kleding, en het vlees in zijn huid, en de beenderen in hun vlees, en het hart in zijn lichaam, zo zijn ook wij, met lichaam en ziel, van kop tot teen gehuld in de goedheid van God.[2]
Onbevangen aanbidding, want we kunnen de goedheid van God niet bevatten, maar ze omvat ons en onze wereld.
[1] Het spirituele leven – Mystiek voor het dagelijks bestaan, p.21-22
[2] Revelations of Divine Love, ch 6