22e zondag A
In mijn studententijd kwam er een boek in de mode dat ik bij steeds meer medestudenten in de boekenkast zag staan, ook bij mensen die ik voor wijzer had gehouden. De titel van het boek die met grote letters op de rug stond was: Word perfect. Ik vond het een gevaarlijke titel. Alsof je perfect moet zijn, zonder kreuken en barsten, en alsof je nooit een fout zou mogen maken. ‘Hoe krijg ik alleen maar tienen op mijn rapport’ en dat zou je dan met dat boek kunnen leren. Later, toen ik van een vriendin haar oude computer kreeg, begreep ik het beter. Al die mensen die dat boek hadden aangeschaft, waren geen perfectionisten, ze wilden alleen Word Perfect leren.
Ik bleef vandaag hangen bij het laatste woord van de tweede lezing: volmaakt. ‘… om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zéér goed is en volmaakt’. “Volmaakt”, “perfect” in de Engelse vertaling, en nu staat het niet in een computerboek maar in de brief aan de Romeinen. In Mattheüs zijn we ook al eerder tegengekomen: ‘Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.’ Wil God dan van ons dat we perfect zijn?
In de NBG is de vertaling: ‘het goede, het welgevallige en het volkomene’. Het Griekse woord dat met volmaakt vertaald wordt, is “teleios” en dat zeg je niet van een tuin waar geen grassprietje verkeerd staat, dat zeg je van iets of iemand die gerijpt is, volwassen is geworden, iemand die het doel waarvoor hij of zijn geschapen is bereikt. Telos is het Griekse woord voor doel, eindbestemming. Je hoeft niet te voldoen aan een ideaalplaatje dat eigenlijk onmogelijk te halen is, met alle negatieve gevolgen van dien: teleurstelling in jezelf, jaloezie op degenen die het beter lijken te doen en verdrongen woede tegen degene die onhaalbare eisen stelt.
Kathleen Norris schrijft in haar boek over angstaanjagende woorden in het geloof: ‘Volmaakt zijn’ in de zin die Jezus bedoelt, is ruimte maken voor groei, voor de veranderingen die ons tot volwassenheid, tot rijpheid brengen. Rijpen is de bezorgdheid om jezelf van de adolescentie verliezen waarbij je je steeds afvraagt wat anderen we van je zullen denken. Zonder die bekommerdheid ben je in staat om een geschenk te maken van jezelf, als ouder, leraar, vriend, echtgenoot, zuster of broeder …
Volmaaktheid, in een christelijke betekenis, betekent rijp genoeg worden om onszelf aan anderen te geven. … Dit soort van volmaaktheid vraagt dat we volledig onszelf worden zoals God ons bedoeld heeft: gerijpt, volledig, klaar voor wat ons overkomt, wat op ons toekomt.[1]
Volmaakt zijn zoals God: jezelf kunnen geven zoals God zichzelf geeft. Niet angstig kijken naar wat je verkeerd doet of naar wat mislukt, maar in iedere situatie vragen: Wat is het dat U nu van mij wilt?
Als je bij volmaaktheid meer denkt aan gerijpt zijn, volgroeid, dan is ook duidelijk dat er niet één ideaalbeeld is waar iedereen aan moet voldoen om “perfect” te zijn. Met de gaven en beperkingen die je hebt gekregen, met je levensgeschiedenis die je gevormd heeft, mag je uitgroeien tot deze persoon, anders dan alle anderen. Je kunt toch ook niemand anders geven dan jezelf.
We zijn samen op weg naar die volkomenheid, op weg om vrijgevig te worden als God, lief te hebben uit één stuk. En voor wie aarzelt, zegt Petrus: Vestig uw hoop volkomen op de genade.
Spreek tot ons uw woord en laat het oplaaien als een vuur; dat wij ons niet laten leiden door eigenbelang maar in staat zijn om uit te maken wat Gij wilt: het goede, datgene wat U behaagt, de vrije gave van onszelf, zo klein als we zijn.
[1] Kathleen Norris, Amazing Grace, p.55-57