20e zondag A
Wat moeten we met deze Jezus die een vrouw die om hulp smeekt negeert, die haar zelfs zegt dat Hij het brood van de kinderen niet aan de hondjes kan geven? Anders is Hij met ontferming bewogen als Hij de menigte ziet die naar Hem toekomt, Hij vraagt aan mensen in nood: ‘Wat wil je dat Ik voor je doen zal?’ en nu antwoordt Hij niet eens als de Kananeese vrouw Hem bidt om haar dochter te genezen. Willem Jan Otten schrijft dat je op deze zondag beter geen minder gelovige vrienden mee naar de kerk kunt nemen. Want als ze horen hoe Jezus hier reageert, zullen ze Hem zeker niet beter willen leren kennen.
Maar gelovig of minder gelovig, hier zitten we en we zien hoe Jezus niet antwoordt. Wat moeten we daarmee?
De Kananeese vrouw weet wel wat ze ermee moet en dat is het eerste wat we kunnen leren van haar: blijven vertrouwen ook als je gebed geen antwoord krijgt. Blijven geloven in de goedheid van God zonder te verwachten dat Hij als een Sinterklaas naar onze pijpen danst en levert wat op onze verlanglijstjes staat. God is God en zijn goedheid is te groot voor het geluk alleen. Zij gaat in alle nood door heel het leven heen.
De vrouw laat Jezus niet los. Van Hem verwacht ze de redding, hoe dan ook. Zelfs als Hij uitlegt waarom Hij niets kan doen, blijft ze roepen. Hij is gezonden, zegt Hij, niet om zomaar alles te doen wat in zijn macht ligt, maar om de taak te volbrengen die de Vader Hem geeft. Hij is gekomen voor de verlossing van Israël. Geen dankbare taak. Hij heeft net een twistgesprek met de farizeeën achter de rug en nu is Hij juist naar het gebied van Tyrus en Sidon getrokken om even vrij te zijn van de dreiging uit Jeruzalem.
De Kananeese vrouw voert ook een soort twistgesprek met Hem, maar niet uit wantrouwen maar uit hoop en vertrouwen. Als Hij haar tenslotte antwoord geeft, klinkt het: ‘Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de hondjes te geven.’ Je zou kunnen verwachten dat de vrouw zich beledigd terugtrekt. Als iemand je op één lijn stelt met honden! Maar de vrouw denkt niet aan zichzelf. Ze is naar Jezus gekomen voor haar dochter. En misschien voelt ze ook iets aan van de pijn van Jezus die het brood – zichzelf – aan de kinderen komt geven, terwijl de kinderen hun eigen ideeën hebben over hoe dat brood moet smaken en Hem zullen verkruimelen.
De vrouw beaamt Jezus’ opdracht: Ja, het brood is voor de kinderen. En dan voert ze het beeld verder. Er vallen toch ook kruimels van de tafel en die zijn voor de hondjes. Ze aanvaardt wat Jezus zegt dat zijn opdracht is, maar ze verlegt de grenzen en maakt ruimte voor wie niet de kinderen zijn. En Jezus laat zich meenemen naar dit ruimere perspectief. ‘Vrouw, ge hebt een groot geloof! U geschiede zoals gij wilt.’ U geschiede zoals gij wilt – dezelfde woorden als in het Onze Vader: Uw wil geschiede. Nu herkent Hij de wil van zijn Vader in het verlangen van deze Kananeese vrouw.
‘Uw wil geschiede.’ We bidden het elke dag, of toch elke keer als we het Onze Vader bidden. Hoe herkennen we zijn wil om daaraan mee te kunnen werken? Natuurlijk door te luisteren naar Gods Woord, en door stil te worden in gebed. Maar ook, zoals hier, door God te ontdekken in wat op ons toekomt, door de ontmoeting met een buitenlandse vrouw, iemand van buiten onze eigen kring. Misschien iemand op wie we kritiek hebben of die we af zouden schrijven. Voor God valt uiteindelijk niemand erbuiten en Hij kan ons tegemoet komen in mensen van wie we dat niet verwachten. Dat is het tweede wat we kunnen leren van de Kananeese vrouw, dat we Gods wil kunnen ontmoeten buiten ons vertrouwde kader, dat Hij onze grenzen openbreekt naar een wijdere wereld.
Moge Hij ons vertrouwen in Hem doen groeien en ons hart openen voor zijn Stem waar die ook klinkt.