24e zondag A
Petrus is van goede wil. Hij is bereid om zijn broeder wel zeven maal te vergeven. Maar nee, zegt Jezus, dat is niet genoeg, en Hij vermenigvuldigt het tot het oneindige: zeventig maal zeven maal.
Dat geeft hoop voor een leven in gemeenschap waar we vanzelf ontdekken dat we er niet zijn met zeven keer vergeven worden. Want na die zeven keer komt er wel een achtste keer dat we onze tong niet in bedwang hebben, of wat dan ook. Maar gelukkig, de vergeving raakt nooit op, bij God niet en ook niet bij onze zusters. We vragen om vergeving in een gemeenschapsviering, en al struikelen we direct daarna weer, dat is geen reden tot wanhoop. We leven van vergeving.
Stel je eens voor wat een wereld zonder vergeving zou zijn. Verbondenheid, vriendschap en liefde zouden onmogelijk zijn. Want hoe zou je dan een relatie moeten herstellen? Onvermijdelijk komt er een moment dat de een tegenover de ander een fout begaat. Als de ander dan niet bereid is om de pijn te dragen, samen met degene die hem de pijn heeft aangedaan, dan is de relatie verbroken. Met rechtvaardigheid alleen komen we er niet. Dan kan wel het onrecht hersteld worden, maar daarmee is de relatie nog niet in orde. Om een relatie te genezen is er veel meer nodig: berouw aan de ene kant en vergeving aan de andere kant, en hoogstwaarschijnlijk ook berouw aan de kant van degene die vergeeft. Misschien om het aandeel dat je had in dat wat misging, of anders omdat je tegenover iemand anders of op een andere manier evengoed in de schuld staat. Vergeving tussen mensen is een delen van schuld, een bewust naast elkaar staan, een verbondenheid.
Onze redding is de vergeving van onze zonden: dat God ons niet afwijst als wij ons van Hem afkeren, maar onze zonde draagt en niet ophoudt ons lief te hebben. Hij blijft in ons en wij in Hem, zijn vergeving houdt ons in leven, of wekt ons uit de dood op tot nieuw leven. In die ruimte van God, in zijn vrijgevigheid, worden wij vrij om ook onze broeders en zusters te kunnen vergeven. Wie zo bemind wordt, hoeft niet krampachtig en angstvallig te leven.
Een aantal jaren geleden hebben we het in een kapittel gehad over drie verschillende categorieën die om vergeving vragen, een indeling van Charles Williams[1]:
- Dingen die geen vergeving nodig hebben.
- Dingen die vergeven kunnen worden.
- Dingen die niet vergeven kunnen worden.
Ik vind het een behulpzaam onderscheid. De eerste en de derde klinken alsof ze er niet bij horen, maar in de praktijk zijn ze heel herkenbaar.
Eerst de dingen die niet vergeven hoeven te worden of die geen vergeving nodig hebben, een heel belangrijke categorie in het gemeenschapsleven. Vergeving is iets heel moois. Een relatie die hersteld wordt door vergeving kan daardoor verdiept worden. Maar je kunt ook overdrijven en teveel vergeven, vergeven daar waar je helemaal geen schuld had hoeven zien. Struikelen over splinters in het gedrag van de anderen en dan geen tijd hebben voor de balk in je eigen gedrag. Charles Williams noemt dat leven zonder hoffelijkheid. Om te vergeven moet er eerst iets zijn om te vergeven. Liefde laat zich niet kwaad maken, zegt Paulus. Ze is traag in het kwaad worden, en dus is ze ook traag om te vergeven. Gewoon omdat ze niet snel aanneemt dat de ander iets misdaan heeft. Ik kan snel geïrriteerd zijn, maar dan klinkt de vraag die God aan Jona stelde: ‘Heb je wel reden om zo boos te worden?’
Het hoort bij de goede manieren van de stad van God om niet te snel in anderen iets te ervaren waarvan we denken dat het vergeving nodig heeft. En als er iets is, dan hoort het bij de hoffelijkheid van de hemel om daar geen dramatische vergevingsscène van te maken, uiterlijk of innerlijk. We hoeven het niet te ontkennen wanneer we ons beledigd of gekwetst voelen, maar we kunnen dat gevoel heel serieus nemen of we kunnen het relativeren en met een glimlach om onszelf van ons af schudden. Teveel denken dat je moet vergeven, tenzij de ander je erom vraagt, is eerder een teken dat je teveel om jezelf cirkelt.
Ten tweede zijn er de dingen die vergeven kunnen worden. Hoe weet je nu wat het onderscheid is tussen het eerste en het tweede? Als iemand vraagt om vergeving is het duidelijk, dan is het een zaak die vergeven kan worden. Om vergeving vragen betekent dat iemand berouw heeft en verlangt naar bekering. Misschien gaat het morgen weer mis, maar Jezus vraagt geen perfectie. Voor het herstel van de relatie is verlangen voldoende. Net als met onze gemeenschapsvieringen: we vragen elkaar om vergeving, we worstelen allemaal met onze onvolkomenheid, en de volgende dag kunnen we dezelfde fouten maken, maar we weten van elkaar dat we op weg zijn, met vallen en opstaan.
Ten derde zijn er de dingen die niet vergeven kunnen worden. Als Christus gekomen is tot vergeving van onze zonden, tot herstel van onze relatie met God, dan bestaan er strikt genomen geen dingen die niet vergeven kunnen worden. Dat is het grote mysterie van zijn dood en verrijzenis: hoe het kwaad kan worden omgevormd tot goed. Maar is het mogelijk om kwaad dat je is aangedaan, bewust, moedwillig, met haat, minachting en onverschilligheid – is het mogelijk om dat te vergeven? In de ervaring van mensen die zwaar geleden hebben, bestaan ze wel degelijk, dingen die niet vergeven kunnen worden. Zolang er geen vraag om vergeving is, kan er geen herstel zijn van een relatie, als die er al geweest is. Er zou alleen een bereidheid om te vergeven kunnen groeien, een afzien van wraak, een overlaten van recht en vergeving aan God. Als Jezus sterft aan het kruis, zegt Hij niet: ‘Ik vergeef het jullie’, maar: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.’ Vanuit God gezien weten wij inderdaad niet wat we doen, al die keren dat we ons van Hem afkeren. Misschien is dat de weg voor degenen die dingen moeten vergeven die niet te vergeven zijn: bidden om het over te laten aan God.
Laten wij ons oefenen in de hoffelijkheid van de stad van God en bij de irritaties die onvermijdelijk zijn in het samenleven niet te snel denken dat we iets te vergeven hebben. God heeft ons vergeven en vergeeft ons zelfs onze irritaties. Dan zijn we vrij om anders te gaan kijken.
[1] Charles Williams, The Forgiveness of Sins