4e zondag veertigdagentijd A
Toen ik vanmorgen aan dit kapittel begon en voor mijn lege scherm zat te hopen op inspiratie, zag ik links onder opeens twee woorden staan. In het hoekje linksonder staat meestal hoeveel graden het is, en bewolkt of onbewolkt, of ‘zon komt zo op’. Of een waarschuwing dat het glad is. Nu, terwijl ik nadacht over de blindgeborene, stond er “slecht zicht”.
Slecht zicht. Dat is een treurig bericht voor zusters die geheel gericht op de beschouwing willen leven, zoals het in onze constituties staat. Je verlangt ernaar Jezus te zien, maar dan is helaas het zicht slecht. Welk zicht? Zijn het de omstandigheden die voor mist zorgen, zodat we Hem niet kunnen zien? Ik kan de oorzaak van het slechte zicht zoeken in mijn werk of in de zorgen die al mijn aandacht opeisen. Of misschien zijn het mijn medezusters die het zicht op Jezus belemmeren door hun gedrag tegenover mij of door hun vele gepraat en hun drukke gedoe. Iets buiten mij belemmert mijn zicht op Jezus.
‘Is dat zo?’ vraagt Jezus dan.
‘Ja natuurlijk, wij zijn toch niet blind?’
Maar dat dachten de Farizeeën ook en zij kregen als antwoord: ‘Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zien, blijft uw zonde.’ Ze herkenden Jezus niet hoewel Hij voor hen stond en net de ogen van de blindgeborene had genezen. Er was geen mist, maar ze hadden toch slecht zicht.
Een leven gericht op de contemplatie, op de beschouwing, dat is verlangen Jezus te zien, in alles naar Hem uitkijken, of je nu in de kerk zit, of aan de computer, in het scriptorium of in de keuken. Niet de omstandigheden verhinderen dat ik Hem zie, maar mijn eigen ogen kunnen blind zijn. Hij toont zich in de eucharistie, in de Schrift, in een gast die aan de deur staat, in een zieke medezuster, in de schoonheid van de magnolia, in het lijden van medemensen. Als Hij ons de ogen opent, zullen we vaak kunnen horen: ‘Gij ziet Hem, het is Degene die met u spreekt.’ Misschien hadden we Hem juist niet verwacht in degene die op dat moment met ons spreekt, maar laten we bidden in deze veertig dagen dat Hij onze ogen steeds weer opent, zodat we contemplatieven worden. Slecht zicht ligt niet aan de omstandigheden maar aan mijn eigen blik.
Isaac van Stella schrijft:
Dit is dus voor jullie de levensvorm, broeders,
dit is de ware regel van een heilige levenswandel:
door gedachte en verlangen met Christus verkeren in dat eeuwige vaderland;
maar tijdens deze moeizame omzwerving geen enkele plicht van de liefde weigeren voor Christus.
Door de Heer Christus te volgen omhoog naar de Vader in de rust van de meditatie kleiner worden, eenvoudiger en tot leven gewekt worden;
door Christus te volgen omlaag naar de broeder uitgestrekt worden door het handelen, verdeeld worden in duizend stukjes, alles voor allen worden[1].
Niets minachten wat verband houdt met Christus, niets liefhebben wat voor Christus niets is. Dorsten naar één ding, leeg worden voor één ding daar waar Christus één is;
allen willen dienen waar Christus veelvoudig is.[2]
Waar gaat je verlangen naar uit?
Als we in deze vastentijd onszelf beperkingen opleggen, dan is dat om ons meer bewust te worden van het ene grote verlangen naar Hem, dat dieper gaat dan onze kleine dagelijkse verlangens. De stilte in huis, wat vroeger in de kerk zijn, extra aandacht voor de lectio, daarmee vervullen en voeden we het verlangen. Want als we Jezus in het gebed en in de meditatie ontmoeten, wordt ons verlangen een beetje gestild, maar tegelijkertijd groeit het om Hem nog meer te kunnen ontvangen. Met Christus zijn in de rust van de meditatie maakt je kleiner en eenvoudiger en levend.
Het verlangen blijft niet beperkt tot het opstijgen met Christus naar de Vader. Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen. Het verlangen volgt Christus omlaag naar de broeder, wat betekent dat je met Hem uitgestrekt wordt door het handelen en verdeeld in duizend stukjes. Ook dat is contemplatie.
God heeft ons gemaakt voor het Licht dat in de wereld is gekomen: Jezus de Heer.
Genees ons en open onze ogen om Hem te zien en te volgen in zijn reddende licht.
[1] I Cor 9:22
[2] Isaac van Stella, sermo 12,6