3e zondag van Pasen A
We blijven vandaag op deze derde zondag van Pasen nog bij de verschijningsverhalen en we horen het verhaal van de Emmaüsgangers. Twee mannen op weg naar een dorpje, ruim 2 uur stappen van Jeruzalem. Onderweg komt er iemand op hen toe die verder met hen meeloopt. Wie? Een vreemdeling, de enige vreemdeling die niet weet wat er dezer dagen in Jeruzalem gebeurd is. Maar hij luistert naar hen als ze hem vertellen over hun hoop op Jezus: ze hadden zo gehoopt dat Hij Israël zou verlossen. En over hun diepe teleurstelling en ontmoediging: Hij is ter dood veroordeeld en gekruisigd. Einde verhaal. Het is allemaal mislukt, de overheden hebben de Bevrijder het zwijgen opgelegd, de dood heeft een einde gemaakt aan alle verwachtingen. Hun weg loopt dood.
Maar dan begint de vreemdeling hun verhaal om te keren. De dood is het einde niet voor de God van Israël. Hij laat het licht van de Schrift schijnen over wat er gebeurd is. Hebben de profeten het niet al lang verkondigd? Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan? Het verhaal van Jezus is niet geëindigd met de kruisdood. Het is het verhaal van de opstanding, van de liefde van God die niet tegengehouden kan worden door geweld en onrecht van mensen. Als je denkt dat het kwaad uiteindelijk de grootste macht heeft en overwint, dan komt daar de derde dag waarop blijkt dat het kwaad machteloos is tegenover de nederigheid en de liefde van God in Jezus. We kunnen niet meer zeker zijn van het enige dat zeker leek in onze wereld: de dood.
Het hart van de twee leerlingen brandt in hen als ze de woorden van Jezus horen. Hun kille, trieste moedeloosheid verdampt in het vuur van de Geest. Ze willen dat de vreemdeling door blijft spreken. Laat Hij blijven en niet ophouden. En Jezus gaat met hen mee naar binnen als ze Hem uitnodigen voor de maaltijd. Maar dan, als ze Hem herkennen bij het breken van het brood en zien dat het Jezus is, is Hij verdwenen. Net nu ze weten wie Hij is, zien ze Hem niet meer.
Het is net als bij het verhaal van Maria Magdalena. Ook bij Maria verloopt de herkenning in fasen. Eerst ziet ze de tuinman, zomaar iemand die ze niet kent. Maar dan, als Hij haar naam zegt, herkent ze Jezus, Degene die ze liefheeft. Het lijkt erop dat Hij niet dood is en dat ze geen afscheid van Hem hoeft te nemen. Hij is er weer en alles kan blijven zoals het was. Maar ook dat is niet waar. ‘Houd Mij niet vast’, zegt Hij. Hij is niet alleen degene die ze gekend heeft, Hij is ook degene die zit aan de rechterhand van God. En de opstanding is geen terugkeer naar het aardse leven, het is de voltooiing van de weg voor de mens terug naar God.
Bij al de verschijningsverhalen is Jezus ineens ook weer verdwenen. Hij eet met zijn leerlingen, Hij spreekt met hen, maar Hij blijft niet bij hen. Hij gaat verder, naar zijn Vader die ook hun Vader is, naar zijn God die ook hun God is. En Hij nodigt hen uit om op weg te gaan. Verder, in zijn voetsporen, ook al zien ze Hem niet meer.
‘Houd Mij niet vast.’
Wat betekenen die woorden?
Het is niet een verbod om Jezus aan te raken. Thomas, hoorden we de vorige week, werd juist uitgenodigd zijn vinger te leggen in de wonden van Jezus’ handen en zijn hand te steken in Jezus’ zijde. Maar dat was om Hem te herkennen, om te weten: Hij is het echt, Hij leeft! Het is niet een vasthouden. Het nieuwe leven van Pasen is niet een bestendiging van de toestand zoals ze nu is.
‘Houd Mij niet vast’ betekent ook niet dat we het nu voortaan zonder Jezus moeten doen. ‘Ziet, Ik ben met u tot aan de voleinding van de wereld’, zal Hij bij zijn hemelvaart zeggen.
Jezus’ verdwijnen telkens weer en zijn woorden tot Maria Magdalena ‘Houd Mij niet vast’, willen ons uitnodigen om ons te laten meenemen door Hem. Wij moeten Hem niet vasthouden, niet op dezelfde plaats willen blijven. We kunnen geen beslag op Hem leggen, Hem niet aan onze kant opstellen. Het nieuwe leven van Pasen is voor de leerlingen van Jezus beweging en zending. De Emmaüsgangers staan op zodra ze Jezus herkend hebben en keren terug naar Jeruzalem. Maria Magdalena wordt naar de andere leerlingen gezonden om te verkondigen dat Hij leeft en hen voorgaat naar Galilea. En Jezus zegt ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft zo zend Ik u.’
Ons laten meenemen door Hem en gaan in zijn voetsporen in plaats van Hem vast te houden. Dat is gaan zonder te weten hoe het precies zal lopen. Bereid zijn om steeds weer het bekende en vertrouwde los te laten in openheid naar een onbekende toekomst. Je kunt je niet nestelen in het leven zoals het nu is.
Loslaten en niet vasthouden, maar vol vertrouwen gaan waar Hij ons zendt, zonder vrees voor het onbekende, de moeilijkheden en het lijden onderweg. Pasen betekent dat het kruis, hoe reëel ook, niet een blinde muur is waar je op doodloopt. Het kruis wordt een doorgang naar de Vader, naar zijn Koninkrijk. De twee leerlingen draaien zich om zodra ze Jezus herkend hebben en begrijpen dat de weg verder gaat. Het is onmogelijk dat Jezus door de strikken van de dood zou worden vastgehouden. Hij doet ons wegen ten leven kennen en we kunnen in vertrouwen op weg gaan, achter Hem aan. Ons geloof in God is tevens hoop op God.
En als we somber gestemd de verkeerde kant op gaan, dan kan het gebeuren dat er een vreemdeling een eindje met ons meeloopt, dat een woord uit de Schrift ons hart in vlam steekt, dat Jezus onverwacht het brood voor ons breekt, en dat we Hem herkennen en Hem volgen om bij Hem thuis te komen in zijn Koninkrijk.