7e zondag van Pasen
Kom, Heilige Geest!
Dat bidden we voortdurend in deze Pinksternoveen. We hebben gevierd dat Jezus ten hemel is opgevaren, dat Hij voor ons de weg heeft bereid om ons thuis te brengen bij de Vader. We vertrouwen dat Hij ons niet alleen laat en we bidden om de Geest die Hij beloofd heeft:
de Geest die ons alles zal leren en ons alles in herinnering brengt.
Alles leren en alles herinneren – dat is niet om een schriftelijk examen te kunnen doen, maar het gaat om praktijklessen: Hoe blijf ik bij Jezus? Hoe blijf ik trouw aan zijn vriendschap? Hoe houd ik Hem in herinnering, zodat ik zijn woorden, zijn liefde in mijn innerlijk bewaar, opdat Hij zijn intrek in mij neemt? De leerlingen hebben een hele tijd met Jezus opgetrokken. Ze zijn als het ware bij Hem op school geweest, en de resultaten waren niet altijd veelbelovend. Maar Jezus laat zich niet weerhouden door hun onbegrip en hun falen. Hij kent hun zwakheden, maar Hij spreekt hen aan op hun verlangen, en op hun liefde – ondanks alles – voor Hem. Hij belooft hun de Heilige Geest, de Helper, licht, vuur, kracht en wijsheid, moed en eerbied voor God, om te leven voor God, te leven in Christus.
Leven voor God, dat is binnentreden in de levensstroom van de Drieëenheid, dat is je leven geven uit liefde. We kunnen onszelf vaak wel herkennen in de leerlingen. Het verlangen om bij Jezus te zijn, om ons leven voor Hem te geven, dat is er wel ergens in ons. We zijn juist ingetreden om onszelf aan Hem te geven. Maar in de praktijk van alledag begrijpen we niet altijd wat dat concreet betekent, of we vergeten het even op het moment dat er een klein offer van ons gevraagd wordt. Er zit in ons een klein stemmetje dat behoorlijk doordringend kan zijn en dat zich druk maakt over: krijg ik wel genoeg, wordt er naar mij wel geluisterd, vragen ze niet teveel van mij? Niet dat die vragen per se verkeerd zijn. Het kunnen verstandige vragen zijn, want het is goed om je eigen grenzen in de gaten te houden, en verantwoordelijkheid te dragen voor je eigen gezondheid. Maar het kleine stemmetje stelt die vragen niet om er objectief naar te kijken, maar om mijzelf in het centrum te zetten. Het spoort aan tot angst en tot zelfmedelijden, niet tot de vrije zelfgave uit liefde, waarmee Jezus ons hart veroverd heeft.
Toen de broeders van Tibhirine, de witte paters van Tizi Ouzou, de zusters in Algiers, Henri Vergès en Pierre Claverie besloten te blijven in Algerije, ondanks het geweld, was dat de vrucht van een gegeven leven. Je leven geven, zeiden ze, is niet iets wat je doet op het moment dat je vermoord wordt. Het is wat je dagelijks doet uit liefde voor God en voor de mensen om je heen. Pierre Claverie schrijft:
‘Het witte martelaarschap, dat is wat we proberen te leven iedere dag; dat wil zeggen zijn leven geven druppel voor druppel, in een blik, een aanwezigheid, een glimlach, een attentie, een dienst, een werk, in al die dingen die maken dat een beetje van het leven dat ons bewoont, wordt gedeeld, wordt geschonken en prijsgegeven. Het is daar dat de beschikbaarheid en de overgave de plaats bekleden van het bloedig martelaarschap. Zijn leven niet terughouden.’
We proberen het te leven, iedere dag, in die kleine dingen: een vriendelijk woord of juist de stilte bewaren als ik zou willen babbelen, ruimte maken voor de ander, een glimlach, een dienst. Jezus kent ons verlangen om onszelf te geven, en Hij kent onze zwakheid. Hij belooft ons de Heilige Geest om te leven wat Hij van ons verlangt en wat wij zelf ten diepste verlangen: de vrije gave van onszelf, vrij van angst, van eigenbelang, van ons kleine ik, om ruimte te worden voor Hem.
De martelaren van Algerije worden martelaren van vriendschap genoemd en martelaren van hoop. Ze getuigen van de vriendschap van God voor alle mensen, en van de hoop die hen bewoont temidden van het onvoorstelbare geweld. Mogen ook wij getuigen zijn van Gods onvoorstelbare liefde.
Kom, o Heilige Geest.
Was wat vuil is en onrein,
Overstroom ons dor domein,
Heel de ziel die is gewond.
Maak weer zacht wat is verstard,
Koester het verkilde hart,
Leid wie zelf de weg niet vond.