27e zondag A
Twee lezingen over een wijngaard vandaag, en het zijn nogal ernstige lezingen. Zo streng zelfs, dat ik even overwogen heb om de lezingen aan de kant te laten en het op deze vierde oktober alleen over Franciscus van Assisi te hebben. Het is tenslotte zijn 800e sterfdag. Maar nee, we gaan toch naar de lezingen en misschien komen we Franciscus onderweg nog tegen.
In de eerste lezing hoorden we Jesaja die een lied zingt van zijn vriend en diens wijngaard. Maar het is geen vrolijk lied. De vriend doet alles wat hij kan voor zijn wijngaard. Hij spit hem om, haalt de stenen weg, en plant er edele wijnstokken. Maar levert de wijngaard vruchten op? Nee, de vruchten zijn “stinkbessen” – zo vertaalt de Naardense bijbel.
Degenen voor wie Jesaja wil zingen, worden daarmee zelf aangesproken. Want wat betekent die wijngaard en wie is die vriend? De vriend is God zelf die de aarde schept en aan de mensen geeft. De wijngaard is het volk dat God zich gevormd heeft, aan wie Hij regels ten leven heeft gegeven en van wie Hij vruchten van gerechtigheid en vrede verwacht. Maar de vruchten blijven uit. Vrede en recht zijn ver te zoeken. Het lied wordt een aanklacht tegen de mensen die beter zouden moeten weten, beter zouden moeten leven, maar die slechte, stinkende vruchten voortbrengen.
In de evangelielezing gaat het weer over een wijngaard, maar nu zijn het de priesters en de leiders van het volk die worden aangesproken. Zij zijn de wijnbouwers, de pachters, die de wijngaard voor de eigenaar verzorgen en de vruchten aan hem zouden moeten afdragen. Maar ze erkennen niet dat de wijngaard hun niet toebehoort. De opbrengst die er is gebruiken ze voor eigen eer en genoegen. De landeigenaar, God, stuurt zijn profeten om hen te waarschuwen, maar ze gebruiken geweld tegen hen. Je zou verwachten dat de eigenaar dan met een legertje komt om hen mores te leren. Maar deze eigenaar, God, gaat tot het uiterste om hen te redden uit hun zelfzucht en hun illusies dat ze onafhankelijk het gelukkigst zijn. Hij stuurt zijn Zoon, zelfs al wordt die gedood.
Twee verhalen die slecht aflopen, maar waarom worden ze verteld? Niet om ons somber en moedeloos te maken, maar om bewust te maken van waar we zelf staan.
Jesaja vraagt naar de vrucht van ons leven. Werk ik met God mee aan vrede en gerechtigheid? Dat zijn grote woorden, maar ze krijgen gestalte in de kleine daden van iedere dag, in onze houding tegenover elkaar.
De gelijkenis van Jezus toont ons dat ons leven niet ons eigen bezit is, maar een geschenk van God. Wat doen we ermee? Moet alles dienen tot ons eigen genoegen of geven we terug, in dankbaarheid, liefde en vertrouwen, wat we zelf ontvangen hebben? Als we onze afhankelijkheid van God en onze verbondenheid met Hem en met onze aarde ontkennen, zitten we op een doodlopende weg.
Verbondenheid is het sleutelwoord. Verbondenheid in ontvangen en teruggeven, in God die voor ons zorgt en wij die met Hem mee mogen werken. Vanuit die verbondenheid kan Paulus zelfs zeggen, tussen onze twee meer dreigende lezingen in: ‘Weest onbezorgd.’ Onbezorgd, omdat je leeft in vertrouwen op God, met Hem in gesprek bij alle noden, in dankbare erkenning van zijn gaven, en met Hem meewerkend: ‘Houdt uw aandacht gericht op al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk … en brengt in praktijk … Dan zal de God van vrede met u zijn.’
Vanuit die verbondenheid kwam Franciscus tot het zingen van het zonnelied, de lofzang van de schepselen, waarin hij samen met zon en maan, met water en vuur, met aarde en mensen en zelfs samen met de lichamelijke dood God looft en zegent en dankt.
Geloofd zijt Gij, mijn Heer, met al uw schepselen,
vooral heer broeder zon, die de dag is,
en door wie Gij ons verlicht.
En hij is mooi en stralend met grote luister.
Van U, Allerhoogste, draagt Hij het zinnebeeld.
Geloofd zijt Gij, mijn Heer,
door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt Gij ze gemaakt,
schitterend, kostbaar en mooi. …
Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door zuster water,
die heel nuttig is en nederig en kostbaar en kuis.
Geloofd zijt Gij, mijn Heer, door broeder vuur,
door wie Gij voor ons de nacht verlicht.
En hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.
…
Loof en zegen mijn Heer
en dank en dien Hem met grote nederigheid.
Amen