26e zondag A
Het zijn nog prachtige nazomerdagen, maar toch vanmorgen een gedicht van Vasalis wat meer naar een herfststorm klinkt:
In het hart van de storm zit ik stil.
Door grote veren bruist de wind,
wild, fris, maar ik zit warm en klein.
Door natte haren kijkt een engel binnen,
de wind strijkt al de grijze veren op zijn rug
terug
en hij zucht ongeduldig aan het raam.
Zijn lange, grijze ogen speuren rond.
Maar ik zit stil,
ik wil niet.
Dan leunt hij met zijn volle hand
nog even dringend aan de ruit,
die buigt, en schudt zijn haren uit
en bruisend vliegt hij weg van hier,
ver – waar ik hem niet volgen kan.
Ik wou niet.
Waarom huil ik dan?
Ik wou niet. Ik bleef veilig en comfortabel binnen zitten. Waarom huil ik dan?
Spijt omdat je blijft zitten en niet antwoordt op de oproep van de engel die je naar buiten roept, waar het regent en stormt, waar je niet weet waar je uit zult komen, maar waar je nodig bent, waar God je verlangt.
In de schuldbelijdenis in de eucharistieviering zeggen we: ‘Ik belijd … dat ik gezondigd heb in woord en gedachten, in doen en laten’. “Doen en laten” is een standaarduitdrukking, net als handel en wandel. Ik heb het lang gehoord als een algemene formulering: “in heel mijn gedrag”. Pas toen ik het in het Engels hoorde, werd het pijnlijk concreet: ‘in what I have done and in what I have failed to do’ – in wat ik heb gedaan en in wat ik heb nagelaten te doen. er zijn dingen die ik had kunnen doen, maar niet gedaan heb, die me nog helder voor de geest staan. Ik wou niet, omdat het me niet uitkwam, omdat ik vond dat iemand anders het wel eens kon doen, omdat ik niet durfde, omdat … noem maar op. Ik wou niet en de engel gaat verder, en ik blijf achter en ontdek dat ik spijt heb. Als je dan een herkansing krijgt, toch nog naar de wijngaard mag gaan, is dat reden tot grote dankbaarheid.
Jezus vertelt zijn gelijkenis niet voor de tollenaars en prostituees die in hun doen en laten nee zeiden. Zij keerden zich wel om toen ze Johannes de Doper hoorden. Zij hebben de weg naar het Koninkrijk van God al gevonden. Jezus spreekt tot de hogepriesters en oudsten, degenen die professionele ja-zeggers zijn tegen God. Het gevaar voor hen is dat ze de engel niet opmerken. We kunnen warm en klein binnen zitten en denken dat het zo heel goed is. We zijn ons niet altijd bewust van ons nee. We zeggen immers ja en we kunnen heel goede redenen hebben om een engel toch niet te volgen, om op dit moment even niet te gaan werken in de wijngaard, maar doet dat iets af aan ons ja?
Jezus vertelt zijn gelijkenis om de professionele ja-zeggers ertoe te brengen hun nee te erkennen. Ik zeg wel ja, maar als ik dan ook nog geloof dat ik ja doe terwijl ik zoveel dingen laat liggen en zo vaak nalaat iets te doen wat ik zou kunnen doen, dan leef ik in een illusie. En zolang die niet doorgeprikt wordt, verandert er niets, geen spijt, geen bekering, geen vrijheid, geen open relatie met de Heer. ‘Denk eens na’, zegt Jezus vandaag, ‘wie heeft de wil van de Vader gedaan?’ Wie ben je zelf, de zoon die ja zegt en comfortabel binnen blijft, of de zoon die zich bewust is van zijn nee en een beetje tijd nodig heeft om zich te bekeren?
Een leven van conversatio morum, de gelofte waar we ja tegen zeggen bij onze professie, is een leven van voortdurende bekering. ‘Ja’ zeg je niet eens en voor altijd, het ja moet zich iedere dag herhalen, in kleine daden van antwoord op de vraag van de Vader, op de blik van de engel. ‘De dagen van ons leven worden met het oog op onze voortdurende bekering verlengd, zegt Benedictus, want weet je niet dat Gods geduld je tot boetvaardigheid wil brengen?’ (Prol 36-37)
Jezus vertelt zijn gelijkenis om de oudsten en hogepriesters ertoe te brengen zich te herkennen in de nee-zeggers, in de tollenaars en vrouwen van lichte zeden. Eerst een heldere blik op wie je werkelijk bent, en dat is niet een persoon die alles perfect doet, die de wil van de Vader volgt in alles. Dat erkennen betekent geen onherroepelijk falen. Pas als je je dat realiseert, met spijt en berouw, met verlangen en vertrouwen in de Vader, is er verandering mogelijk.
Waar zeg je nee? Daar kunnen Gods barmhartigheid en vergeving ons raken.
Moge Hij ons overstromen met zijn genade, dat wij met spoed de wegen gaan naar het beloofde land.