18e zondag A
Gisteren op de kloostermarkt in Arnhem vroeg iemand of we ook twee vissen hadden. Maar nee, het was alleen brood. En we hebben wel een brood gebroken, of eigenlijk gesneden, voor mensen die een half brood wilden, maar dat bleef een half brood, het vermenigvuldigde zich niet. Jammer, we hadden er best nog meer kunnen verkopen.
Jezus vermenigvuldigde natuurlijk geen brood om het te verkopen. Hij deelde het en het werd meer en zo stilde hij de honger van de mensen.
Het is in het evangelie al eerder over brood gegaan, ook brood op een eenzame plaats, maar daar kwam het juist niet. Mattheüs vertelt hoe Jezus 40 dagen doorbracht in de woestijn en tenslotte honger kreeg. Dan komt de duivel en zegt: ‘Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen.’ Brood voor Jezus zelf, maar ook en vooral brood voor een wereld waar honger geleden wordt. Wat is tragischer, wat is meer in strijd met het geloof in een goede God en het geloof in een Verlosser van de mensen, dan de honger onder de mensheid? Bewijst een Verlosser zijn bestaan niet allereerst door publiekelijk aan heel de wereld brood te geven en de honger te beëindigen? … Het is moeilijk om op deze uitdaging een goed antwoord te vinden, precies omdat het schreeuwen van hongerige mensen onze oren en onze ziel binnendringt. En zo moet het ook.[1] Maar Jezus zegt niet tegen de stenen dat ze brood worden. Zijn antwoord is: ‘Er staat geschreven: Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt.’
In het verhaal van vandaag zijn de mensen juist gekomen voor alles wat uit de mond van God voortkomt. Ze hebben de hele dag geluisterd naar Jezus, Hij heeft hun zieken genezen. Ze vergeten de tijd, ze vergeten dat ze moeten eten. En nu is het Jezus zelf die vindt dat er brood moet komen. Niet van brood alleen leeft de mens. Ons bestaan is niet vervuld als aan onze lichamelijke noden voldaan is. Mens-zijn betekent een diepere honger kennen waar een volle maag niets aan doet, misschien alleen verdoving geeft. Alfred Delp, een Duitse jezuïet die door de nationaalsocialisten terechtgesteld werd, schreef: ‘Brood is belangrijk, vrijheid is belangrijker, het allerbelangrijkste is trouw die niet gebroken wordt en aanbidding die niet wordt verloochend.’[2] Van brood alleen kun je niet werkelijk leven, maar we hebben ook brood voor het lichaam nodig, en Jezus leeft ook dat met ons mee. Na een dag lang luisteren, het hart geopend voor het Woord van God is het tijd om te eten. Maar nog steeds verandert Jezus geen stenen in brood. Hij geeft zijn leerlingen opdracht: ‘Het is niet nodig dat ze weggaan, geeft gij hun maar te eten.’
Luisteren naar het Woord van God, genezen worden door Jezus’ aanraking, laat je bestaan niet onveranderd. Je wordt ingeschakeld in Gods zorg voor de wereld met alles wat je hebt, veel of weinig, dat doet er niet toe. De leerlingen hebben vijf broden en twee vissen. Het lijkt niets, maar ze geven het aan Jezus en zodra Hij begint te delen wordt het genoeg, ruim genoeg. Luisteren naar het Woord van God wordt luisteren naar de noden van je medemensen en delen wat je hebt. De leerlingen begrepen dat die vele mensen honger zouden hebben. Misschien voelden ze het in hun eigen maag en kregen zij ook stevige trek aan het eind van die lange dag. Wat Jezus hun nu vraagt is om in te brengen wat ze zelf hebben, om te beginnen met delen. Zodra ze dat doen blijkt er veel meer te zijn dan ze gedacht hadden. Genoeg om de honger te stillen.
Er is nog een derde broodverhaal: het verhaal van de eucharistie, een onuitputtelijke broodvermenigvuldiging. Jezus zelf is brood voor de wereld geworden en wij leven van Hem. Leer ons de zin verstaan van de eucharistie, bidden we in het openingsgebed. Het brood dat onze diepste honger stilt is Christus. Hem ontvangen we. Hij wil leven in ons. Hij schakelt ons in en Hij voert ons mee naar de Vader. Leven wordt pas leven in verbondenheid met Hem.
Breng ons dichter bij U en dichter bij elkaar.
[1] Benedictus XVI, Jezus van Nazareth I, p.51
[2] Idem, p. 52