11e zondag A
Als Jezus kijkt naar de menigte die zich rondom Hem verzameld heeft, ziet Hij twee verschillende beelden voor zich. Hij ziet schapen zonder herder, en Hij ziet een grote oogst. Johannes Chrysostomos wijst erop dat het beeld van de oogst niet direct voor de hand ligt. Schapen zonder herder, ja. Hulpeloze mensen die uitgeput zijn en hongerig, en wie bekommert zich om hen? Niet de Romeinen die het land bezetten. Niet de leiders in Jeruzalem die het hebben over “die schare die de wet niet kent” en over “het Galilea der heidenen”. Kun je dat dan een oogst noemen? Als Hij gezegd zou hebben: ‘De velden liggen klaar om te zaaien’, dan zou dat logischer geklonken hebben.
Maar nee, deze mensen zijn rijp voor het Koninkrijk. Om klaar voor de oogst te zijn vraagt Jezus geen theologisch diploma van ons, geen getuigschrift van goed gedrag, maar een erkennen van onze nood en een verlangen naar verlossing. De mensen die Hem volgen verlangen iets van Hem: genezing, bemoediging, bevrijding, kortom: het weten dat God hen kent en om hen geeft, dat ze waarde hebben in zijn ogen en dat Hij voor hen zorgt, dat Hij hen niet afschrijft als ze gefaald hebben, of verkeerde keuzes hebben gemaakt. De oogst is groot bij zoveel mensen in nood.
Toch betekent dat niet dat God er tevreden mee is als mensen hulpeloos en onmachtig zijn. Dan had Hij ons wel letterlijk als schapen kunnen scheppen. Jezus laat zijn leerlingen meekijken. Zien ze, zoals Hij, de nood van de mensen? Voelen ze hetzelfde medelijden? Waar zijn mensen die, met Jezus, hoop en bevrijding willen brengen aan hun medemensen? ‘Vraagt de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten’, zegt Jezus tegen zijn leerlingen. Nu zouden ze kunnen gaan bidden dat God ergens vandaan bekwame en wijze leiders stuurt die goed kunnen spreken, die verstand hebben van ziekten, enz., van die mensen die we ook graag wat meer in onze kloosters zouden hebben als er een abtskeuze is, in de kerk om priester te zijn en zeker als er een bisschop gevonden moet worden, en in de wereld van vandaag om oorlogszuchtige en egoïstische leiders te vervangen. Ergens vandaan zou God wel zulke mensen kunnen sturen. Maar dat is niet hoe Jezus het ziet. Hij vraagt zijn leerlingen te bidden om arbeiders en onmiddellijk daarop stuurt Hij hen. Ze horen als het ware de vraag die Jesaja hoorde: ‘Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons gaan?’ en ze hebben misschien net de tijd gehad om te antwoorden: ‘Hier ben ik, zend mij’, en daar volgt hun zending.
Zijn de leerlingen de meest geschikte arbeiders voor de oogst? Mattheüs somt hun namen op. Het begint met Petrus die Jezus verloochenen zal, en het eindigt met Judas die Hem later verraden heeft. In de lijst die Marcus geeft worden na Petrus eerst Jacobus en Johannes genoemd: eerst de drie belangrijkste apostelen, maar Mattheüs zet ze niet in volgorde van belangrijkheid. Na Petrus komt gewoon Andreas, de broer van Petrus. En waar hijzelf genoemd wordt – Mattheüs – voegt hij toe “de tollenaar”, wat de anderen discreet verzwegen hebben. Ze moeten het niet hebben van eigen kracht en kwaliteiten, maar Jezus deelt hun zijn kracht mee. Mens zijn is dan wel onhandig en hulpeloos als een schaap zijn, maar tegelijk ook verlangen naar het Rijk van God en open staan om de kracht en de geest van Jezus, de ware Mens, te ontvangen. Mens word je doordat God ons uitnodigt om in relatie met Hem te leven. In het licht van zijn liefde kunnen we ons falen en onze misstappen erkennen, en in de kracht die Hij ons geeft kunnen we zijn Rijk verkondigen en mensen worden die voor anderen een teken van hoop zijn. Zieken genezen, doden opwekken, melaatsen reinigen, boze geesten uitdrijven. Dat is wat Jezus deed en waartoe Hij ook zijn leerlingen in staat stelt. Niet omdat ze zulke bijzondere mensen waren, maar omdat ze met Hem mee leerden kijken en Hij ons inschakelen wil.
Aan de ene kant zijn we zwakke, falende mensen die nood aan verlossing hebben, voor wie Christus zichzelf heeft willen geven, en aan de andere kant, door Christus’ gave, worden we arbeiders met Hem, medeburgers van het Koninkrijk, ‘Gods priesterlijk koninkrijk’ zegt Mozes. Schaap en herder. Was Jezus dat ook niet? Als een schaap werd Hij ter slachtbank geleid, en Hij is de Goede Herder die zorg draagt voor zijn schapen. Zo werkt God in onze wereld en dat is onze enige hoop.
Laten we steeds luisteren hoe Hij ons aanspreekt, in onze nood en door de nood van de anderen, zwak en krachtig in Hem.