1e zondag vastentijd
Jan van Forde, een Engelse cisterciënzer abt uit de 12e eeuw, heeft 120 preken over de laatste 3 hoofdstukken van het Hooglied geschreven. Of liever, de laatste drie hoofdstukken van het Hooglied zijn de aanleiding voor 120 preken. In de preken komt veel meer dan alleen het Hooglied aan bod. In nr 101 is Jan aangekomen bij Hgl 8,5 waarin het gaat over een appelboom en de moeder van de bruid. Dat brengt Jan bij onze eerste lezing, het verhaal van de bekoring van Eva bij de boom van de kennis van goed en kwaad.
Hoe kon de slang grip op haar krijgen? Begon de verleiding bij de mond? Nee, zegt Jan, het begon in de geest en pas op het eind wordt het lichaam meegetrokken.
De oorsprong lag volgens hem in het feit dat onze eerste voorouders de lof en de dank aan God verwaarloosden. Ze waren geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis en ze zouden uit alle kracht God moeten loven en danken omdat hij hen zo mooi geschapen had en om heel de schepping waarin ze God konden herkennen. Maar toen de duivel zag dat ze tekort schoten in de lofzang voor God, wist hij dat hij hen kon treffen op het hetzelfde punt als waar hij zelf gevallen was. Hij had gezwegen toen alle engelen eenstemmig zongen voor God. Zijn hoogmoed was er niet tevreden mee enkel schepsel te zijn. En nu hij gevallen is, wil hij alles doen om de mens van God af te keren. Hij is jaloers op de eer die aan God gegeven wordt, maar ook op de condition humaine, op de aard van de mens die naar Gods beeld geschapen is. Met één zet probeert hij God te beroven van zijn schepselen en de mens los te maken van zijn Schepper. Het zeer goede dat God geschapen had, mensen die opgaan in het schouwen van God, wil de duivel maken tot iets zeer slechts, een vervloekt geslacht. En in plaats dat ze aan hun kinderen de contemplatie doorgeven, zullen ze de vervloeking door moeten geven.
De duivel legt nu een strik voor de vrouw, want zij is de zwakkere. Hij vermomt zich als een slang en beetje bij beetje, ongemerkt brengt hij zijn venijn in het hart van Eva. Door een vraag te stellen, zaait hij twijfel en zij brengt het al aarzelend als ze de slang antwoordt wat God gezegd heeft. En dan kan de slang de boel gaan verdraaien: “Helemaal niet! Jullie zullen zeker niet sterven”.
Het begint met twijfel aan de Waarheid van God – Hij heeft dat wel gezegd, maar het klopt niet; en twijfel aan de gerechtigheid van God – want juist als je zijn gebod overtreedt zou je beloond worden; en vooral twijfel aan de goedheid van God – de slang suggereert dat het verbod om van de boom te eten voortkomt uit jaloezie van God. Hij, die de mens naar zijn beeld en gelijkenis geschapen heeft, zou bang zijn dat de mens aan Hem gelijk zou worden.
Wanneer eenmaal de twijfel gewekt is, steekt ook de nieuwsgierigheid de kop op en de ambitie. Eer ontvangen wordt een begerenswaardig iets en God lijkt daarbij een concurrent te zijn. Jaloezie en ambitie gaan op hun beurt weer gepaard met woede en droefheid. Want wanneer een ander met de eer gaat strijken, wat onvermijdelijk een keer gebeurt, roept dat boosheid op en een gevoel van teleurstelling, wanhoop misschien wel.
Tot hiertoe ging het over zonden van de geest. Maar als de geest is afgedwaald en de wil tot ongehoorzaamheid overgaat, dan wordt ook het lichaam daardoor bedorven en geeft het zich over aan de gulzigheid. Het begint met de opgeblazenheid van de geest, en het lichaam volgt dan in de zonde.
Wat zijn dus de stappen waarlangs Eva tot het eten van de appel komt? Het begint ermee dat ze haar blik niet op God gericht houdt, niet naar Hem kijkt in de vreugde van de lofzang. Dan volgt het wantrouwen: is het wel waar wat God gezegd heeft? Heeft Hij het wel goed met hen voor? Is het wel veilig om Hem te vertrouwen en van Hem afhankelijk te zijn of kun je beter zelf de macht in handen hebben? Daarna komt de ambitie en het verlangen naar eer, met in de toekomst woede en verdriet bij de onvermijdelijke teleurstellingen. En als laatste pas wordt het lichaam aangetast en krijgt Eva zin in die lekkere appel.
Als je het zo leest, gaat de duivel bij de bekoringen van Jezus in de woestijn de omgekeerde weg. Eerst de lichamelijke trek in brood. Als dat niet werkt de eerzucht, door Jezus uit te dagen te springen zodat de engelen Hem zullen dragen. En als laatste de macht, zelf willen heersen in plaats van te vertrouwen op de Heer, zijn God, en Hem te dienen. Jezus laat zich niet verleiden. Hij blijft zijn blik op de Vader gericht houden: ‘De Heer uw God zult gij aanbidden’.
Na de ontmoeting van Eva met de slang komen we bij een interessant punt in de preek. Eva heeft zich laten verleiden en is zo van de moeder der levenden de moeder van stervelingen geworden. De dood is in de wereld gekomen. Maar hoe zit het met Adam? Als Jan van Forde ook zijn rol heeft bekeken weet hij niet wie van beiden de grootste schuld heeft.
Adam heeft zich niet laten verleiden door te denken dat God misschien uit jaloezie het verbod gegeven had. Zijn eigen begeerte kan hem nog niet verleid hebben, want zijn lichaam is nog niet van God afgekeerd zodat hij zou kunnen klagen “Ik doe niet wat ik wil, maar wat ik niet wil, dat doe ik”. Hij heeft zich ook niet door Eva laten verleiden, want toen God hem ter verantwoording riep, zei hij niet: “De vrouw die Gij mij gegeven hebt heeft mij verleid”, maar alleen: “De vrouw die Gij mij gegeven hebt, heeft mij van de boom gegeven en ik heb gegeten”. Adam kan geen enkele verontschuldiging aanvoeren voor zijn zonde: geen onwetendheid, geen dwang, niet de aantrekkingskracht van de begeerte, niet de list van de slang, en evenmin het aandringen van zijn vrouw. Uit eigen vrije wil heeft hij het juk van de zonde op zich genomen. En daarmee heeft hij zijn nageslacht een zwaar juk opgelegd, want hij heeft hun de wil ontnomen om het af te werpen. Of tenminste, zo zegt Jan van Forde,
het vrij willen worden staat tot mijn beschikking als een natuurlijk goed. Maar het daadwerkelijk willen, zoveel als voldoende is om het heil te verkrijgen, dat ligt ver buiten mijn bereik. Van de gave alleen van de genade die uit den hoge komt, verwacht ik dit willen. Meer nog, dat ik treur over mijn ongeluk, beschaamd ben over mijn slavernij, dat ik weet heb van de genade en verlang naar een bevrijder, dat schrijf ik zonder aarzelen toe aan een genade (gratia) die mij verlicht om niet (gratis) en die belangeloos (gratuito) opzoekt wat verloren was. (101, 10)
Als wij dus in deze veertigdagentijd met Jezus in de woestijn strijden tegen de bekoringen die ons van Hem af willen leiden, laten we dan steeds weer bewust terugkeren naar de lof en eer aan God en zingen in ons hart in vertrouwen op zijn goedheid en zijn waarheid. En als we struikelen en met Eva – of met Adam, zonder verontschuldiging – van de appel eten, dan wacht zijn genade op ons met vergeving en nieuw leven.
God zij dank!