2e zondag A, 18 januari
De kersttijd is alweer voorbij en we zijn met vaart de gewone tijd door het jaar ingedoken. Het leven van alledag met het werk, de afspraken en de zorgen slurpt onze aandacht en energie op. De kersttijd eindigde vorige week met het doopsel van de Heer, het feest van zijn solidariteit met zondaars. Als Hij bij Johannes aan de Jordaan komt, stelt Hij zich niet tegenover al die mensen die daar verzameld zijn op. Hij zegt niet ‘Dank je wel, Johannes, dit was een goede voorbereiding. Nu zal Ik met het echte werk beginnen en nog wat steviger gaan schrobben, niet met water maar met geest.’ Nee, het echte werk is dat Hij de zonden van de mensen overneemt en wegdraagt. Niet tegenover ons, maar in het diepste en donkerste midden van ons.
Vandaag brengt het evangelie ons terug bij Johannes aan de Jordaan. Het is de dag na de doop. En opnieuw komt Jezus naar Johannes en alle zondaars rondom hem toe. Alsof Hij zeggen wil: ‘Hier ben Ik, ook in de gewone tijd, verbonden met je leven van elke dag, van werk en bezoek, van koken en poetsen, van boekhouding en zangles, van confituur en kwaliteitscontrole, van vergissen en mislukken, van vermoeidheid en onwil.’ De mensen om Hem heen zijn naar Johannes toe gekomen met de last van hun zonden, met hun zorgen en gebreken. Ze zien Johannes en het water van de Jordaan, maar wie van hen zou Jezus herkennen? Hij ziet eruit als één van hen. Dan wijst Johannes Hem aan: ‘Zie, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt.’ Je was verdiept in je ellende, bekommerd om wat er niet goed gaat en verlangend naar bevrijding, naar heling, maar kijk: hier is Degene die jouw last op zich neemt. Hij staat naast je zonder dat je het weet.
Ook voor Johannes was Hij een onbekende. André Louf zei het vanmorgen in de vigilielezing. Twee keer verklaart Johannes: ‘Ook ik kende Hem niet.’ En dat terwijl ze familie waren en samen zijn opgegroeid. Tussen onze kerstkaarten was er één waarop Maria zit met twee kleine jongetjes naast zich, Jezus en Johannes, die spelen met een lammetje. Johannes kende Jezus als behorend tot de familie. Ze zijn samen opgegroeid. Maar toch zegt hij nu: ‘Ik kende Hem niet.’ Hij kende Hem als mens, maar nu ziet hij een diepere werkelijkheid. Ja, Jezus is mens, maar Hij is de Zoon van God die mens geworden is. Hij is de Redder van de wereld, de Messias. Zo kende Johannes Hem eerder nog niet. En zo zagen de mensen aan de oever van de Jordaan Hem nog niet, als Johannes Hem niet had aangewezen. De aardse werkelijkheid die wij zien is niet alles. In ons leven van alledag, in onze wereld die lijdt onder onze collectieve zonden van uitbuiting en geweld en zelfzucht is Hij aanwezig, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt door ze op zich te nemen, door de dood op zich te nemen en ons een weg te banen door de dood heen.
Johannes roept ons op om Hem te herkennen, om door onze werkelijkheid heen Gods werkelijkheid te zien en te leven in de zekerheid dat het Lam naast ons gaat en ons draagt. De gewone tijd door het jaar is geen tijd ver van Hem. Misschien moeten we ons aanwennen om bij al onze bezigheden en gedachten steeds dat zinnetje te herhalen: ‘Zie het Lam Gods,’ zodat we dieper kijken dan wat direct voor ogen is en Hem aanwezig zien in onze alledaagse vreugden en zorgen.