Doopsel van de Heer
Johannes staat aan de Jordaan en verkondigt dat het Koninkrijk der hemelen nabij is. Hij, roept op tot bekering en doopt de mensen om de weg te bereiden voor de Heer die komt, want het duurt niet lang meer, dan zal Degene komen die sterker is dan Johannes, die dopen zal met heilige Geest en met vuur. Johannes staat zelf in vuur en vlam als hij denkt aan het grootse dat komen zal. Hij voelt zich niet waardig om zelfs maar de schoenriem van de Komende los te maken.
En dan is het moment daar. Degene op Wie hij wacht, voor Wie hij de weg bereidt, komt naar hem toe aan de oever van de Jordaan. Alleen, Hij vraagt iets volkomen onverwachts. Hij zet niet de logische volgende stap na het voorbereidingswerk van Johannes. Misschien had Johannes verwacht dat Jezus degenen die hij met water gedoopt had, nu zou dopen met heilige Geest, en dat degenen die zich niet wilden bekeren het vuur zouden voelen. Maar God keert die orde ondersteboven. Jezus komt om zich te laten dopen. Weg is de waardigheid van God.
Johannes protesteert: ‘Ik heb uw doopsel nodig!’ Hij brandt van verlangen om de weg vrij te laten voor Jezus, voor Degene die hij al die tijd heeft aangekondigd met zijn woord en met zijn leven. Hij smeekt dat zijn eigen duisternis en schaduwkanten nu verzwolgen mogen worden door het licht van Christus’ aanwezigheid. Maar Christus staat erop om juist in de duisternis van de wereld opgenomen te worden. Hij oordeelt de zonde door haar op zich te nemen en zo weg te dragen. Zo had Johannes het zich niet voorgesteld. Hij heeft zelf Jezus’ doop nodig en nu: ‘Gij komt tot mij?’
Broeder Simeon[1] schrijft: ‘De Vader van de Heer Jezus beweegt niet de wereld en het hart van de mensen door te verwachten dat ze als door een natuurwet tot Hem aangetrokken worden. Hij weet veel te goed hoe de menselijke vrijheid tegen de natuur en tegen God zelf kan ingaan. Maar als de mens zich afkeert van God, aarzelt God niet om zich naar de mens te keren en naar hem toe te komen. God brengt ons niet alleen in beweging door ons naar zich toe te trekken, maar ook door ons actief te achtervolgen’ tot in het diepste duister waarin we verstrikt zitten. God blijft niet op zijn plaats wachten tot we naar Hem toe komen. Zijn menswording reikt tot in de diepte van onze schuld en onmacht.
Het is meer dan Johannes kan begrijpen, maar hij wordt uitgenodigd om mee te werken in dit mysterie van het Koninkrijk: ‘Laat het voor nu’. Laat het gebeuren, laat toe dat Jezus zich vernedert door zelf gedoopt te worden, door ons de voeten te wassen, door gevangen genomen en gedood te worden. Johannes protesteerde, Petrus protesteert als Jezus aankondigt dat Hij zal sterven en als Jezus knielt om hem de voeten te wassen. Ons idee over hoe de Zoon van God zich moet gedragen gaat vaak lijnrecht in tegen de weg die God kiest om de wereld te redden, om heel onze wereld te redden, niet alleen dat wat voor ons gevoel nog net door de beugel kan.
‘Laat het zo gebeuren voor nu.’ Dat God zich openbaart in nederigheid en de goddelijke glorie verborgen blijft, is niet het laatste woord. Maar nu is het de weg waarlangs Hij ons bereiken wil, waarlangs Hij één wordt met ons opdat wij één worden met Hem. ‘Kom’, zegt Jezus tegen Johannes, ‘laten we dit samen doen. Zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen.’ Alle gerechtigheid – niet slechts de gerechtigheid die precies onderscheid maakt tussen deugd en schuld, maar Gods gerechtigheid die recht doet aan zijn liefde, die het gewicht van de zonde kent en haar gevolgen, maar die zelf de last op zich neemt om haar zo weg te doen.
Johannes’ preken gingen over hoe we ons moesten bekeren, wat we moeten doen. Nu is het moment gekomen om te ‘laten’. Laat Jezus begaan en wordt zijn medeplichtige. De redding die Hij brengt gaat misschien lijnrecht tegen onze ideeën van hoe het hoort in. En dat betekent dat we, als we zelf niet zijn zoals het hoort, als degene naast ons niet is zoals het hoort, we niet verloren zijn, omdat Jezus afdaalt in de Jordaan en zich niet te heilig vindt om ons in de modder te komen opzoeken.
[1] Erasmo Leiva Merikakis, Fire of Mercy, Heart of the Word I, p.127-131