3e zondag veertigdagentijd A
Meestal beginnen de verhalen over de ontmoetingen met Jezus met de dorst of de nood van degene die Hij ontmoet. Jezus hoort een roep om genezing, Hij ziet een onuitgesproken verlangen, Hij antwoordt op een vraag om hulp. Maar het verhaal van de Samaritaanse vrouw vandaag begint op een heel andere manier. Niet de situatie van de vrouw is het uitgangspunt van het verhaal, niet haar mislukte relaties, haar buitengesloten zijn uit de fatsoenlijke dorpsgemeenschap, kortom niet haar zeer reële nood, maar het is de vraag, de nood van Jezus die het startpunt vormt van het verhaal. Hij is het die dorst heeft.
Jezus en zijn leerlingen hebben al een hele tocht achter de rug en nu ze bij de bron van Jacob gekomen zijn, is Jezus te moe om nog verder te gaan. De leerlingen lopen door naar het stadje om eten te kopen, maar Jezus blijft hier bij de bron op hen wachten. En dan, terwijl hij daar alleen zit, op het heetst van de dag, komt er een vrouw naar de put om water te halen. Jezus, warm en dorstig, vraagt haar: “Geef mij te drinken?”
Dat is het begin van het verhaal. Later zal het wel gaan over de dorst van de vrouw en over het levende water dat Jezus geeft. Dan zal ze hem herkennen als de Messias, en het levende water, beeld van de heilige Geest, begint ook in haar te borrelen. Ze gaat horen bij het Koninkrijk van God.
Maar dat is allemaal later, het vervolg van het verhaal. Het begint met de nood van Jezus, met zijn verlangen naar water. Of, als we de beeldspraak van het verhaal volgen, het begint met Gods verlangen naar de mens. Want als de leerlingen terugkomen met eten, blijkt Jezus geen honger meer te hebben. Hij is verzadigd door het gesprek met de vrouw, door haar toekeer naar God. “Mijn spijze is de wil te doen van Hem die mij gezonden heeft”, zegt hij. God dorst naar de mens. Ons verlangen naar Hem kan maar bestaan en aan het licht komen door Zijn verlangen naar ons.
Dit begin van het verhaal van de Samaritaanse is eigenlijk het begin van elk verhaal. Wij zoeken God, maar al lang daarvoor is Hij op zoek naar ons. De eerste vraag die God stelt aan de mens in de eerste hoofdstukken van Genesis is: “Waar ben je?” En het is de mens die zich daar verborgen heeft voor God.
God zoeken, Hem leren kennen komt niet alleen van onze kant. Dat geldt al als je een andere persoon wilt leren kennen. Een voorwerp kun je nog leren kennen door er aandacht aan te besteden, of het nu de beker is waar ik dagelijks koffie uit drink of een ingewikkeld apparaat. Het kan ook zijn dat je er niet naar om kijkt en dan leer je het niet kennen. Het voorwerp zelf heeft in ieder geval weinig inspraak.
Maar tussen personen is het anders. Als je iemand wilt leren kennen, dan hangt dat niet alleen van jouw wil af. De ander moet zich ook aan jou bekend willen maken. Als hij of zij je negeert of ontloopt en het niet tot een echt gesprek laat komen, schiet je niet op. Hoeveel temeer geldt dat dan voor God. Dat Hij verlangt dat wij Hem leren kennen is de basis voor ons zoeken naar Hem. Vóór onze nood en onze afhankelijkheid van God komt zijn vraag naar ons.
“Geef Mij te drinken?”
Hoe kunnen we Hem te drinken geven?
De Samaritaanse luistert naar Jezus, spreekt met Hem. Ze laat zich door Hem bevrijden. Jezus doet een bron van levend water in haar opborrelen. Ze vergeet haar kruik bij de put en gaat terug naar huis om haar stadgenoten te halen en met hen de vreugde te delen van het gekend en bemind zijn. Ze heeft de ware Bruidegom gevonden die het diepe verlangen van haar hart vervult.
Luisteren naar Jezus en spreken met Hem. Dat doen we in deze vastentijd als we extra tijd nemen voor lectio en voor gebed. Het gebed van het officie, zingend voor Hem en met Hem. En het stil gebed, als je als het ware naar de bron komt en daar Iemand vindt die op je wacht nog voordat je jezelf bewust bent dat Hij het is op Wie je altijd gewacht hebt.
Over de lectio zegt Origenes in één van zijn homilieën:
Hij, die zelf het levende water is en te drinken geeft aan allen die dorsten, zegt op zijn beurt tot de Samaritaanse: ‘Geef mij te drinken.’ Zo is het ook met de Schrift: Ze lest de dorst van hen die naar haar toe komen, en haar dorst wordt gelest bij hen, wanneer ze het object is van de inspanningen en de waakzame aandacht van vurige christenen.
Als je dus niet dagelijks naar de put komt, als je niet dagelijks water naar boven haalt, kun je anderen niet laten drinken. Maar dat niet alleen, je laat ook toe dat het Woord van God dorst lijdt.[1]
Als we ’s avonds in het scriptorium zitten voor de lectio dan is het niet alleen onze eigen dorst die gelest wordt door het Woord. We halen ook water naar boven waarmee we in de loop van de dag onze zusters te drinken kunnen geven. En het meest verwonderlijke: in het luisteren naar de Schrift wordt de dorst van het Woord van God naar ons gelest. Het Woord wacht erop en verlangt ernaar om door ons opgenomen te worden.
Laten wij ons keren naar God en bidden dat Zijn Geest in ons opspringt als een bron van levend water. Met de woorden van Dag Hammarskjold: “Ik ben het vat. De drank is van God. En God de dorstende.”
[1] Origenes, Homilia in Genesim X,3