5e zondag A, 8 februari
Toen ik klein was, leerden we in de kinderkerk een liedje waar ik bij de lezing van vandaag aan moest denken:
Jezus zegt, dat Hij hier van ons verwacht,
dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht.
En Hij wenst dat ieder tot Zijn ere schijn’;
jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn’!
Het beeld van een kaarsvlammetje in de nacht vind ik heel mooi. Het logo van Amnesty International is een kaars met prikkeldraad er omheen:
Wat kun je doen in nacht en duisternis? De nacht is te groot voor ons, maar er is een oud Chinees spreekwoord: Het is beter een kaars aan te steken dan de duisternis te vervloeken. Een kaars aansteken, het is maar een klein vlammetje, maar het duister wordt erdoor doorbroken. Je kunt klagen dat het zo donker is en moedeloos worden, maar je kunt ook een kaars aansteken, een kleine daad van goedheid. Door iemand te eten te geven, door gastvrij te zijn, door de nood van een ander te zien en te handelen. ‘Keer u niet af van uw medemens,’ zegt de HEER in de lezing uit Jesaja, ‘dan zal uw licht stralen als de dageraad … en de glorie van de HEER zal u op de voet volgen.’ Op onze eigen kleine plek – jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn – ontsteken we een lichtje. Maar niet door eenzaam en stilletjes in ons hoekje te blijven zitten. De kaarsvlam wordt ontstoken als we in beweging komen naar de naaste toe. Op het moment dat we onszelf vergeten en uitgaan naar de ander, wordt het licht.
‘Hoe weet je dat de dag is aangebroken?’ vraagt een tsaddiek aan zijn leerlingen. ‘Is het als je uit de verte een schaap van een hond kunt onderscheiden?’ vroeg er één. ‘Nee’, zei de tsaddiek. ‘Is het als je van dichtbij een dadelboom kunt onderscheiden van een vijgenboom?’ vroeg een ander. ‘Nee’, zei de tsaddiek. ‘Wanneer is het dan?’ vroegen de leerlingen. En de tsaddiek antwoordde: ‘Het is als je het gelaat ziet van de ander en hem of haar herkent als je broer, als je zus. Zolang je die herkenning niet doet, is het nacht in je hart.’
En de heilige abba Antonius zegt: ‘Van de naaste hangen af leven en dood. Want als we onze broeder winnen, winnen we God, maar als we onze broeder ergeren, zondigen we jegens Christus.’ Licht en leven zijn te vinden als je je blik van jezelf afwendt en oog krijgt voor de ander. Dan zal ‘uw genezing voorspoedig zijn’, lezen we bij Jesaja. Het is iets om steeds weer tegen jezelf te zeggen. Niet alleen de nacht van de ander wordt verlicht door mijn vlammetje, maar ook mijn eigen duisternis klaart op.
‘Wanneer gij uw hart voor de hongerige opent en de mistroostige verzadigt, dan straalt uw licht in de duisternis, dan wordt uw nacht als de middag. Zo spreekt de Almachtige HEER.’
Jesaja ziet zelfs veel meer dan een kaarsvlammetje voor zich. En misschien moeten we daarvoor naast de zin van Matteüs, ook Johannes lezen. In het evangelie van vandaag zegt Jezus: ‘Gij zijt het licht der wereld.’ En bij Johannes zegt Hij: ‘Ik ben het Licht der wereld.’ Het is één licht waarvan we leven. Leerling van Jezus worden betekent zijn Geest ontvangen, omgevormd worden, mens worden zoals Hij. Waar we naar verlangen en waar we een leven lang aan mogen werken is dat niet langer ik leef, maar dat Christus leeft in mij. Hij is de ware mens, het Licht der wereld, het zout dat smaak geeft en bewaart.
Moge Hij steeds meer ruimte vinden in ons, tot eer van de Vader.