2e zondag 40dagentijd
Gisteren na de noon hebben onze oudere zusters een natuurfilm bekeken over de natuur in je tuin. Al snel aan het begin kwam het nest van een torenvalk in beeld. Drie jongen zaten daar vanaf hun hoge plaatsje over de wereld uit te kijken. De moedervalk wilde ze aan het vliegen krijgen en ze deed het hun voor. Ze vloog voor het nest langs, maakte een duikvlucht, keerde weer om. De jongen zaten er als drie bolletjes veren naar te kijken. Hun koppen bewogen mee, precies gelijk, naar links, naar rechts en met een schok naar beneden en weer omhoog, maar verder kwamen ze niet in beweging. Hun hoge nest verlaten, dat durfden ze nog niet.
De drie leerlingen in de lezing van vandaag moeten ook hun hoge plek weer verlaten. Maar voor hen is het niet het nest waar ze vandaan komen, maar een glimp van het beloofde land, van hun bestemming. Jezus heeft hen meegenomen de berg op. Hij was begonnen met de leerlingen te spreken over zijn tocht naar Jeruzalem en over het lijden en de dood die Hem wachtten en over de verrijzenis op de derde dag. Maar Petrus had er niet van willen horen. ‘Dat verhoede God!’ Jezus spreekt tot zijn leerlingen over jezelf verloochenen, je kruis opnemen en Hem volgen, en over zijn komst in heerlijkheid. Begrijpen de leerlingen wat Hij zegt? Durven ze het aan? Hun gedachten blijven steken bij de woorden lijden en dood. Ze lijken misschien op de drie jongen van de torenvalk die daar zitten te kijken naar de moedervalk, maar voorlopig maar liever stilletjes blijven zitten. Vliegen lijkt veel te gevaarlijk.
Jezus laat het niet alleen bij woorden. Hij zegt: ‘Er zijn sommigen onder degenen die hier staan, die de dood niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid.’ En dan neemt Hij, zes dagen later, Petrus, Johannes en Jacobus mee de berg op. Voor hun ogen wordt Hij van gedaante veranderd: ‘zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend als het licht’. Mozes en Elia zijn er en ze spreken met Hem – over zijn heengaan in Jeruzalem, zegt Lucas, datgene waarover de leerlingen het niet wilden hebben. De heerlijkheid van de verrijzenis wordt zichtbaar voor hun ogen en het glanzende, goddelijke licht straalt over heel de weg van lijden en dood.
Het is zo overweldigend helder en mooi dat de leerlingen niet meer weg zouden willen. Hier blijven in het licht met Jezus, niet weggaan van deze hoge, veilige plek.
Maar nee, als Petrus dat uitspreekt, worden ze overschaduwd door een lichtende wolk en ze horen een stem die zegt: ‘Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn welbehagen heb; luistert naar Hem.’ De leerlingen vallen neer in angst en ontzag. Jezus komt naar hen toe en raakt hen aan en het eerste wat Hij tegen hen zegt, na de aansporing van de vader om naar Hem te luisteren is: ‘Sta op en wees niet bang.’ Voordat ze met Jezus de weg van het lijden gaan, doet Hij hen opstaan. Ze hebben het licht van de verrijzenis gezien, nu ervaren ze ook zelf al iets van de verrijzenis. ‘Wees niet bang voor de weg die voor je ligt.’ Jezus is die weg gegaan en het Paaslicht straalt nu al over onze weg, ook al gaat het door de dood heen en zien we misschien geen licht.
‘Ga uit uw land, uit uw stam, uit uw familie, naar het land dat Ik u wijzen zal.’ Abraham ging en zag zijn hele leven vrij weinig. Als hij sterft bezit hij een graf in het beloofde land, maar dat is dan ook alles. Alles? Nee, hij heeft de belofte dat hij tot een zegen zal zijn voor alle volken. De glans van de zegen ligt over heel zijn weg en over die van allen die na hem komen. De glans van het goddelijke licht vergezelt ons heel de weg die God met zijn mensen gaat, ook al verkeren we in het diepe duister.
Petrus, Johannes en Jacobus moeten weer afdalen van de berg.
‘Kom van de berg af om je op aarde in te spannen, om je op aarde dienstbaar te maken, om je op aarde te laten vernederen en kruisigen.’ Zo zegt Augustinus. Het leven kwam naar beneden om zich te laten doden, het Brood kwam naar beneden om honger te lijden, de Weg kwam naar beneden om zich onderweg af te matten, de Bron kwam naar beneden om dorst te lijden. En jij hebt geen zin om je in te spannen? Zoek niet naar wat van jezelf is. Koester de liefde, verkondig de waarheid. Dan zul je de eeuwigheid bereiken waar je de onbezorgdheid zult vinden.[1]
[1] Sermo 78,6 (Van aangezicht tot aangezicht)