1e advent A, 30 november
Gisteren heeft zr José een conferentie gegeven over het Laatste Oordeel aan de hand van het retabel van Rogier van der Weyden. Het was even afwachten of er wel mensen zouden komen luisteren – ‘het laatste oordeel’ kan nogal dreigend klinken – maar het bleek een hoopgevende namiddag te zijn.
Als Jesaja het in de eerste lezing over het einde der dagen heeft, en over Gods oordeel, klinkt dat ook heel positief. De berg van de Heer zal oprijzen boven alle bergen en alle volkeren zullen erheen stromen. Ze sporen elkaar aan: ‘Kom, ga mee, naar de tempel van Jakobs God.’ Ze verlangen naar de weg die Hij wijst. ‘Wij zullen zijn paden bewandelen.’ Ze weten dat God hen zal oordelen – ‘oordelen zal Hij de volkeren, rechtspreken over de talloze naties’ – en ze vluchten er niet van weg, maar ze haasten zich ernaar toe omdat ze van Hem vrede verwachten. In zijn oordeel zullen de zwaarden worden omgesmeed tot ploegscharen en niemand zal meer de oorlog leren. Zijn oordeel is bevrijding van het kwaad, van de angst voor elkaar, van de drang tot zelfhandhaving.
Hoe zit het met ons oordelen? Van M. Kathy hebben we het boek gekregen ‘Do Not Judge Anyone’ – “Oordeel niemand, wijsheid uit de woestijn voor een gepolariseerde wereld”, door br Isaac Slater van Genesee. Als motto begint het boek met een vaderspreuk: Abba Poemen vroeg aan abba Jozef: ‘Zeg me hoe ik monnik kan worden’. Hij zei hem: ‘Als je in de huidige wereld en in de wereld die komt rust wilt vinden, zeg dan in alle omstandigheden: “Wie ben ik?” en oordeel niemand.’
Oordeel niemand. Jezus weigert de overspelige vrouw te oordelen. Hij schrijft in het zand en als iedereen weg is, zegt Hij: ‘Ook Ik veroordeel u niet, ga heen en zondig niet meer.’ Hij zoekt het gezelschap van tollenaars en zondaars op. Hij geeft Zacheus geen preek, maar nodigt zichzelf op het eten uit. Hij is broeder van alle mensen en verbreekt de band niet.
Oordelen brengt voor onszelf vaak helderheid. Je weet aan welke kant je staat, er is onderscheid tussen de schapen en de bokken. Zeker als de zaken onbeheersbaar worden, kan het lijken te helpen als je snel oordeelt. ‘Dit is goed’, ‘dit is slecht’ en zo breng je orde in de wereld om je heen. ‘Oordeel is een bolwerk tegen chaos, of tegen de ervaring van chaos. Als we nadrukkelijk oordelen, kunnen we het idee hebben dat de wereld ons domein is. Versimpeling en oordeel houden complexiteit op veilige afstand.’[1] Maar de wereld is complex, onze medebroeder of -zuster is complex, en we zijn zelf complex. ‘Ik, wie ben ik?’ is een goede vraag als er een veroordeling in ons opkomt.
Niet oordelen betekent niet alles maar goed vinden of onverschillig zijn. Jezus zei niet tegen de overspelige vrouw: ‘Ook Ik veroordeel u niet. Ga gerust verder met waar je mee bezig was.’ En Hij liet Zacheüs niet in de boom zitten. In zekere zin oordelen we voortdurend als we beslissingen moeten nemen. Maar er is een verschil tussen veroordelen en onderscheiden. Bij veroordelen ontstaat er een kloof tussen mij en de ander, een onoverbrugbare kloof tussen goede mensen en slechte mensen, of misschien tussen God en mensen. Als ik verontwaardigd ben over wat een ander verkeerd doet, brengt dat een hoop negativiteit in de circulatie. ‘Er is misschien geen fenomeen dat zoveel destructieve gevoelens bevat als “morele verontwaardiging”. Het laat toe dat afgunst en haat hun gang kunnen gaan onder het mom van deugd,’ schrijft Erich Fromm.
In tegenstelling tot veroordeling zoekt onderscheiding naar wat goed is voor de ander, naar genezing, naar een weg die naar vrede leidt. Als je niet veroordeelt, ben je vrij om allerlei creatieve tactieken te vinden die de ander kunnen bevrijden uit het kwaad. En vrij om je eigen aandeel in het kwaad te zien en te hopen op het oordeel van God, te vertrouwen op zijn redding.
Advent is de tijd waarin de wereld nog net zo donker is als eerder, maar we delen met alle volkeren die hopen op vrede, het licht van de verwachting van Gods oordeel. Kom, laten we gaan op de wegen die de Heer ons wijst.
[1] Mark Edmundson, The Age of Guilt, geciteerd in Isaac Slater, Do Not Judge Anyone, p.xii